16/05/2016 - Moerteelt (Jan Jespers).     

Moerteelt met aangezogen moercellen

  

1.1 Waarom ?

            De moer bepaalt alle          * goede

                                                                * en minder goede eigenschappen van het volk.        

     1.2. Waarom nog ?

                                               ‑ Jonge moeren ‑‑ sterke volken ‑‑ opbrengst?

                                               ‑ Standras – degelijk  ras?

                                               ‑ Betere zwermverhindering.

                                               ‑ Creativiteit wordt aangescherpt

‑ interesse voor de  bijenteelt neemt toe.

                                               ‑ Geeft gemakkelijker darren zuivere zones.

                                               ‑ Geeft goedkope en vele reserve moeren.

    

    

     1.3. Eigenschappen van een goede moer.

                                ‑ Winterhardheid.

                                ‑ Zwermtraagheid.

                               ‑ Werklustig ‑ haaldrift.

- Vruchtbaarheid.

                                ‑ Ziektebestand.

                               ‑ Raamvastheid.

                                ‑ Zachtaardigheid.

- Levensduur.     


     1.4. Geslachtsboom.

         

    

            P         stammoer ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

    

    

            F1        (P) ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

    

    

            F2 ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

    

    

            F3 ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑                       

    

     2. TEELTVOORWAARDEN.

       

     2.1. Algemeenheden.

                 ‑ Teeltstof gebruiken van prima moeren.‑‑ P moeren.

                 ‑ Afstammelingen F ???

                 ‑ Kruisingen.

                 ‑ Darren van evenveel belang als de teeltstof.

         

     2.2. Rasverbetering.

            De eigenschappen van de moeren hebben we in de hand,  maar de bevruchting niet. Tenzij !!!!

    

      2.2.1. Hoe?

       ‑  Als enkeling moeilijk.

                       ‑ Maak gebruik van de resultaten van anderen.

                       ‑ Zorg voor goede darren.


      2.2.2. De dar in de rasverbetering.

                               ‑ De dar speelt een zeer belangrijke rol in de rasver­betering.

                                ‑ De dar kan maar eenmaal bevruchten. Nadeel ?

                                ‑ De dar heeft weinig voorouders.

                               ‑ Geslachtsrijp: 24 dagen + 14 dagen = 38 dagen.

                               ( moer 16 dagen + 5 dagen = 21 dagen.)  

    

      2.2.3. Hoe darren kweken ?

                 ‑ Uit de kast met de zuiverste eigenschappen.

                 ‑ In de lente midden in het broed twee ramen met was ­strips inhangen.

                 ‑ Volk 's avonds prikkelen.

    

    

      2.2.4. Hoe darren gebruiken om uw moeren te bevruchten?

                ‑ Heelveel darren kweken.

                 ‑ Darren loslaten als de darren van de andere volken binnen zijn.

                ‑ Kunstmatige inseminatie.

    

    

     3. ALGEMEENHEDEN.

         3.1. Zeker te onthouden.

                                ‑ Geen rook of andere prikkelende produkten gebruiken tijdens de moerteelt.

 ‑ Temperatuur en vochtigheidsgraad, in het werklokaal zijn van  groot belang,

     voor het welslagen van de kweek.

                                ‑ Werktijd.

                               ‑ Bijen steeds verwijderen met borstel of pluim. Nooit afschudden.

         3.2. Enkele begrippen.

                              

   

      3.2.1. Teeltvolk.

      Is het volk waaruit de teeltstof ( eendaagse larven )  genomen worden.

      3.2.2. Starter.

                3.2.2.1. Doel

                               Is het volkje waarin de koninginnencellen aangezogen worden

                3.2.2.2. Het kastje;

                               Het is een vier of zes-raamkastje voorzien voor ramen die we op de stand gebruiken.

De bodem moet voorzien zijn van een grote verluchtingsrooster. Het vlieggat moet gesloten kunnen worden. Het deksel is zo gemaakt dat er tussen de ramen en de bovenplaat van het deksel een vrije ruimte blijft van ongeveer drie centimeter. In de bovenplaat van het deksel boort men gaten voor het inbrengen van de celhouders.Op het deksel en de celhouders brengt men nog een isolatielaag aan.

                3.2.2.3 Samenstelling.

       

Een starter is een kunstvolkje bestaande uit twee ramen honing en stuifmeel, één raam gesloten uitlopend broed en een kweekraam. Hierbij worden voldoende jonge bijen( 1 ‑ 2 kg )  geschud. Hij moet minstens drie uur van te vorengemaakt zijn. Hij blijft gans de tijd gesloten, dus voor verluchting zorgen, en wordt op een koele plaats opgesteld.

                                Soms maakt men een starter die enkele maanden mee moet gaat.

                                Deze heeft natuurlijk een andere samenstelling.

      3.2.3. Kweekvolk. (teeltvolk)

In het kweekvolk worden de larven koninginnencellen nadat ze in de starter werden aangenomen verder opgetrokken. Dit is meestal een sterk volk dat moerloos is of waarvan de moer onder de rooster zit.

      3.2.4. Bevruchtingsvolk.

Is het (klein) volkje waar we de moer inbrengen om  ze te laten bevruchten.

     4. MOERTEELT. WERKWIJZE.

    

     4.1. Algemeen principe.

       ‑ Bekomen van de larven.

       ‑ Opkweken van de larven.

       ‑ Scheiden van de doppen ( moeren ).

       ‑ Bevruchten van de moeren.

       ‑ Opzetten van de moeren op productievolken.

    

     4.2. Waarover moeten we beschikken.

-          Teeltmoer of teeltstof

-          Starterkastje

-          Goede starter

-          Sterk pleegvolk

-          Teeltraam met teeltlatten

-          Cellen en celhouders

-          Moerkooitjes

-          Paringskastjes

-          E.v. overlarf-naald en merktoestel + merkplaatjes

-          Jenter- of nicot- raam

    4.3. Ontwikkeling en gedaante verwisseling.

                                               Werkster              Moer                   Dar

    

       ei                                         3                              3                          3

       larve                                   6                              6                          6

       pop                                    12                            7                         16    

     ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑­‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑----------------

                                                 21                              16                       24  dagen.

            bevruchtingsrijp                                 na 5 –tot 21         na  14  dagen.

     

    

     4.4. Indeling van de moerteelt.

         4.4.1. Natuurlijke koninginneteelt.

         4.4.2. Geleide koninginneteelt.

    

     4.4.1. Natuurlijke koninginneteelt.

           4.4.1.1.  Uit zwermcellen.

  ‑ De beste natuurlijke methode.

                  ‑ Nadelen:

                               ‑ Zwerm eigenschappen worden overgedragen.

                                ‑ Veel werk en dikwijls het zelfde werk.

                               ‑ Kan niet gepland worden.

                                 ‑ Beschadiging van de ramen.

         4.4.1.2. Stille moerwisseling.

                 ‑ Zo selecteert men onbewust op zwermtrage volken.

                ‑ Gebeurt meestal buiten de zwermperiode.

    

           4.4.1.3. Redcellen.

                 ‑ Wat? 

Zijn moercellen opgetrokken op open broed. Nadat het volk plots moerloos is geworden.

                                Deze moercellen staan meestal tussen het broed.

 Dit gebeurt als het volk plots moerloos is geworden.

                 ‑ Kwaliteit van de moer?

                                Deze is afhankelijk van:

                                ‑ ouderdom van de larve waarop de moerteelt begonnen is.

                                ‑ de hoeveelheid koninginnebrei die de larve gekregen heeft.

                                 ‑ Hoe kan men de kwaliteit van de moer verbeteren?

                                ‑ Door teeltstof in te hangen nadat alle doppen verwijderd zijn..

                                 ‑ Of door na vijf dagen alle gesloten doppen te breken.

4.4.2. Geleide koninginneteelt.    

     4.4.2.1.De Overlarvingsmethode.

Deze methode biedt het grote voordeel dat men een  groot aantal cellen bekomt zonder broedraten te  beschadigen.

        Vervaardigen van de cellen.

                 * Was-cellen:

Deze worden vervaardigd met een vormstokje, waarvan het uiteinde dezelfdediameter heeft  (8 mm) als een natuurlijke konin­ginnecel. We doppen achtereenvolgens het vormstokje,  8‑6 en 4 mm diep in vloeibare was. Zo bekomen  we een kunstmatige cel met fijne randen  en een versterkte bodem.

 Het is nodig het  vormstokje vooraf goed met water te bevochtigen.

 De gemaakte cellen worden in  celhouders op draaglatten beves­tigd.

              * Kunststof-cellen: Deze zijn bij alle handelsza­ken te koop.

Zij worden net zoals de was­cellen in celhouders geplaatst op draaglatten. Het kweekraam wordt 1 ‑ 2 dagen in een willekeurige goed  bevolkte kast gehangen, teneinde de substantie voor het aannemen der cellen in de was te doen opnemen.De cellen  zijn natuurlijk nog leeg.

De overenting der larven.

De zo jong mogelijke larven ( max. 1 dag oud ) worden  met een spateltje ( overlarvingsnaald) vanuit het  raam in de kunststofcellen gebracht. In de cellen kan men eventueel een druppeltje warmwater (32°) of verdunde koninginnebrij  aanbrengen.

Let op de temperatuur en de vochtigheidsgraad van het lokaal waarin er overgelarfd wordt.

Na het overlarven wordt het raam onmiddellijk in de starter geplaatst en daarna in het  kweekvolk, of rechtstreeks in het kweekvolk.

Vijf of zes dagen na het overlarven de gesloten doppen inkooiën en terug plaatsen in het volk of twee dagen voor de geboorte van moer (dag 14) de ingekooide moer plaatsen in de broedstoof.

Wanneer men werkt met een broedstoof de doppen uit het kweekvolk halen als ze gesloten zijn en in de broedstoof hangen.

In elk geval moeten de doppen enkele dagen voor het uitlopen van de moeren ingekooid worden.Na het uitlopen van de moeren moeten zij in bevruchtingskastjes geplaatst worden.

4.4.2.2.De Overlarvings-methode.

    

-          Het kweekraam wordt 1 ‑ 2 dagen in een willekeurige goed bevolkte kast gehangen, teneinde de substantie voor het aannemen der cellen, in de was te doen opnemen.

-          De cellen zijn natuurlijk nog leeg.

    

     4.4.2.3. Overplant methode.

       Jenter ‑ Nicot systeem.

    

       * Waarom deze methoden?

         ‑ Kan door iedereen toegepast worden. Men moet alleen maar kunnen tellen.

         ‑ Kostprijs voor teeltraam en verdeeldoppen zijn vrij duur.

         ‑ De koningin legt rechtstreeks de eitjes in de kunststofcellen.

    

          * Voorbereidingen.

Het teeltraam monteren in een opgewerkt raam of in een raam met kunstraat.

Na de montage het raam in een kast plaatsen zodat de bijen het raam kunnen opwerken of er aan kunnen gewennen.

    

Werkwijze.

Het teeltvolk en het pleegvolk gedurende enkele dagen voor  en tijdens de kweek vloeibaar voedsel geven. Het raam één dag in het teeltvolk hangen.  ( poetsen‑kastgeur)

De leggende moer 's avonds opsluiten op het raam en 's morgens terug loslaten. (12 of 36 u later)

Vier of vijf dagen later hebben we dan larfjes.

Twee dagen na het opsluiten van de moer in het raam worden de lege celhouders in het pleegvolk gehangen.  Kastgeur + aanzet van de celwand met was.

 De vierde dag de juist gekipte eitjes in de celhouders plaatsen en in de starter hangen of rechtsteeks in het pleegvolk met of zonder moer. Bij het overplanten letten op de temperatuur en de vochtigheid in het werklokaal.

Zes dagen later doppen eventueel in de broedstoof hangen.

De veertiende of de vijftiende dag de doppen in­kooien.

Volgende stappen zie vroeger en later.

* Onderdelen Jenter:

         ‑ Raam + voor en achterdeksel.

         ‑ Celbodem

         ‑ Celwand

         ‑ Celhouder

    

    

* Onderdelen Nicot:

         ‑ Raam + voor en achterdeksel

         ‑ Celcapsule

         ‑ Celhouder.

4.5.Het behandelen van de koninginnecellen. ( doppen )

4.5.1. Het ontluiken van de koningin.

4.5.1.1.Algemeenheden.

Vijf dagen na de omlarving kan men de gesloten cellen inkooiën.

Dan heeft men te doen met rijpe doppen, die binnen de zeven dagen zullen uitlopen.

Deze ingekooïde doppen kan men  in het kweekvolk laten hangen of ze in een broedstoof hangen.

Op dag 15 moeten alle ingekooïde doppen (zeker die in de broedstoof) voorzien worden van een weinig voedsel  en enkele jonge bijen of men kan ze als dop in bevruchtingskastjes inbrengen. Men kan ook wachten tot de moeren geboren zijn en ze dan inbrengen in bevruchtingskastjes. Beide methoden hebben voor en nadelen.

Als men doppen inhangt :

Nadeel: ‑ kan de moer in de dop dood zijn of er kan een te kleine moer uit de dop geboren worden.

Voordeel: ‑ de moer wordt meestal aangenomen.

Als men de moer inbrengt:

Kan deze geweigerd worden of gekwetst worden bij het inbrengen.

    

4.5.1.2. Methoden om de jonge koningin te laten ontluiken.

    

4.5.1.2.1.Het isoleren in de kweekkast.

In plaats van de doppen uit de kweekkast te verwijderen kan men elke dop in een opsluitkooitje plaatsen.

Deze opsluitkooitjes worden in een raam gemonteerd en dan terug in het kweekvolk gehangen.

Dit gebeurt het best onmiddellijk na het sluiten van de cellen Vijf dagen na het overlarven.

Na het geboren worden van de koninginnen worden deze op kastjes ingevoerd.

    

     4.5.1.2.2. Het ontluiken in de broedstoof.

Na het inkooien zet men de koninginnecellen in de broedstoof.

Het is best elk kooitje te voorzien van een vijftal jonge bijen en een weinig voedsel. Zij zullen de koningin reeds voedsel toedienen alvorens zij de cel heeft verlaten, want de koningin neemt  onmiddellijk voedsel op als er een klein deeltje van het celdeksel is weg gebeten.

Deze bijen vergemakkelijken ook het geboren worden van de koningin door aan de onderkant van de dop de was gedeeltelijk weg te bijten.

 Na dat de koninginnen geboren zijn worden ze in de  bevruchtingskastjes ingevoerd.

De temperatuur van de broedstoof wordt maximum ingesteld op 34° celsius. In geen geval mag men de temperatuur van 35 C overschreiden.

Zorg ook voor de vochtigheidsgraad. zo hoog mogelijk is (minimum 75%)

    

4.5.1.3. Goed om te weten.

Rijpe koninginnecellen ( vanaf tien dagen na de omlarving) mag men gedurende verschillende uren bij kamertemperatuur (20‑25 C) houden. Als zij zorgvuldig in watten zijn ingepakt kan men ze  over een zekere afstand vervoeren.

Koninginnecellen altijd met de punt naar beneden houden.

4.6.De bevruchtingskastjes. (paringsvolk.)

     4.6.1. Algemeenheden.

In een produktievolk brengt men best enkel leggende moeren in.

Rijpe moercellen of jonge moeren worden slechts onder bepaalde omstandigheden door de bijen aangenomen.

Een moercel of een jonge gepaarde moer kan je zomaar niet in de plaats brengen van een leggende moer.

EEN RIJPE MOERCEL OF EEN JONGE MOER WORDEN SLECHTS AANGENOMEN DOOR HOPELOOS MOERLOZE BIJENVOLKEN.

DUS: Als het volk geen moer,geen open broed en geen moerdoppen bezit.

Daarom heeft men speciale technieken uitgewerkt om de koningin te laten bevruchten.

Moertelers die veel moeren ter paring moeten opzetten gebruiken doorgaans kernvolkjes.(kleine be­vruchtingskastjes)

Voor de doorsnee imker die een beperkt aantal moeren moet opzetten is het maken van een broedaflegger of veger een betere oplossing.

4.6.2. Kleine bevruchtingskastjes. ( raat oppervlakte  5‑10 dm  )

Kirchheimer, Apideakastje,......en andere

Bevolken.

Eerst zoeken we de koningin op in een kolonie met zeer veel jonge bijen. We plaatsen het raam met de koningin in een afzonderlijke romp.

De ramen van het broednest waarop veel jonge bijen zitten worden vervolgens in  een plastieken emmer  afgeschud. Men laat gedurende enkele minuten de afgeschudde bijen staan zodat de vliegbijen kunnen wegvliegen. Zo blijven de jonge bijen in de emmer. Het beste is dat men bijen van verschillende kasten samen  afschudt.

Men schept vervolgens zoveel bijen in elk kastje tot alle raten behoorlijk met bijen bezet zijn. Voor een kastje met een raat oppervlakte van 5 dm  heeft men ongeveer 1000 bijen nodig. (tas van 0.25 l )

Kastje niet te snel sluiten zodat eventuele vlieg­bijen nog kunnen wegvliegen.

Voedsel.

In het voederbakje, dat voorzien is in het kastje, brengt men minstens 100 gr. suikerdeeg aan

Inbrengen van de moer.

Koninginnecel.

Een koninginnecel mag enkel in zo een bevruchtingskastje worden gebracht als zij binnen de twee dagen uit­loopt. De cel, gedragen door de celhouder, wordt midden in het kastje tussen twee raampjes  direct bij de bijen opgehangen. Dit kan onmiddellijk gebeuren bij het bevolken van het kastje  of enkele dagen later.

    

Onbevruchte koningin.

De jonge koningin wordt meestal, uit voorzorg, ingekooid in het bevruchtingskastje ingebracht. De meeste kooitjes die hiervoor gebruikt worden hebben een opening die met een honingdeeg opgevuld wordt. Langs deze opening maakt de koningin zichzelf vrij nadat de honingdeeg door de bijen werd opgenomen.

Dit kan onmiddellijk gebeuren bij het bevolken van het kastje of enkele dagen later.

Sommige moertelers laten de koningin ineens vrij lopen tussen de jonge bijen in het bevruchtingskastje Dit houdt het risico in dat de koningin kan worden afgemaakt

Opstellen van de kastjes.

De dag van het vullen. ('s avonds )

Deze methode kan alleen toegepast worden als de kastjes gevuld zijn met voldoende jonge bijen, af zo de kastjes op een andere stand kunnen opgesteld worden.

Twee of drie dagen na het vullen.

De gesloten kastjes worden dan twee of drie dagen op een koele, donkere plaats opgesteld. Er moet nochtans voor een degelijke verluchting gezorgd worden. Meestal is deze in de bodem voorzien. Op een avond kan men de kastjes op de bevruchtingsstand  plaatsen en openen.

We geven de gesloten kastjes elke dag 50 ml water. Zorg er voor dat het water niet in contact komt met het voederdeeg.

Op welke plaats onze kastjes zetten?

De kastjes moeten zodanig geplaatst worden dat ze niet in de vlucht staan van de vliegbijen van de produktievolken.

Men zet best de kastjes uit de zon tussen het struikgewas.

De kleine bevruchtingskastjes worden per twee of per vier in een beschermkast geplaatst.

    

 Bevruchting van de koningin.

Zes of tien dagen na de geboorte is een koningin meestal in zo een kastje bevrucht.

Twee weken na het vullen controleert men het resultaat, (aanwezigheid van werksterbroed) en kan men reeds beginnen met de moeren een definitieve bestemming te geven.

    

Voordelen deze kastjes.

We beschikken snel over bevruchte moeren.

We hebben weinig bijen nodig om de kastjes te bevolken.

    

 Nadelen van deze kastjes.

We hebben een tekort aan legruimte voor de moer.

Daarom kan ze niet lang op deze kastjes blijven.

Als de moer bevrucht is moet er onmiddellijk een moerrooster voor de vliegopening geplaatst worden. Meestal zijn de kastjes hiervan voorzien.

Bij koud weer hebben deze kastjes soms problemen om de temperatuur op pijl te houden.

    

4.6.3. Grote bevruchtingskasten. ( drie of zesramers. )

Bevolken.

We nemen één  of twee ramen broed ( bij voorkeur gesloten broed ) met de daarop zittende bijen.

Hierbij komt een raam met voedsel, stuifmeel en water.

Wanneer het kastje niet voldoende bevolkt is schudden we nog één of twee ramen met jonge bijen in het kastje.

Alle plaats die nog vrij is in het kastje wordt opgevuld met vulblokken.

LET OP dat de moer van het produktievolk niet in de aflegger te recht komt.

Voedsel.

Het voedselraam dat hierboven vermeld werd kan eventueel vervangen worden door een raam wintervoedsel dat in het voorjaar uit het bijenvolk werd gehaald.

Een voedertas met suiker kan als extra reserve voedsel meegegeven worden: Dit alleen volstaat niet. Het volk moet voldoende stuifmeel hebben voor de jonge bijen.

Het volk ook een raam met water geven.

    

Inbrengen van de moer.

Een koninginnecel of onbevruchtekoningin mag enkel in zo een bevruchtingskast gebracht worden als alle broed gesloten is en alle andere koninginnecellen verwijderd zijn.

Koninginnecel.

De celhouder, wordt midden in het kastje tussen twee ramen direct bij de bijen opgehangen.

    

Onbevruchte koningin.

De jonge koningin wordt meestal, uit voorzorg, ingekooid in het bevruchtingskastje ingebracht. De meeste kooitjes die hiervoor gebruikt worden hebben een opening die met een honingdeeg opgevuld wordt. Langs deze opening maakt de koningin  zichzelf vrij, nadat de honingdeeg door de bijen werd opgenomen.

Opstellen van de kastjes.

 De dag van het vullen. 's avonds

Deze methode kan alleen toegepast worden als de kastjes gevuld zijn met alleen jonge bijen, of zo de kastjes op een andere  stand ( min. 5 km ) kunnen opgesteld worden.      

    

Twee of drie dagen na het vullen.

De gesloten kastjes worden twee of drie dagen op een koele, donkere plaats opgesteld. Zo kunnen de bijen een eenheid vormen. Er moet nochtans voor een degelijke verluchting gezorgd worden.

Op een avond kan men de kastjes op de bevruchtingsstand plaatsen en openen.

    

Op welke plaats onze kastjes zetten ?

De kastjes moeten zodanig geplaatst worden dat ze niet in de vlucht staan van de vliegbijen van de produktievolken.

Men zet ze best uit de zon en op een andere stand.

    

Bevruchting van de koningin.

Een week na de geboorte is de koningin meestal bevrucht.

Enkele weken na de bevruchting kan men de leg van de moer controleren.

    

Voordelen van grote bevruchtingskasten.

De bevruchte moer kan veel langer op de kast blijven zitten.

We kunnen de leggende moer extra plaats geven door het wegnemen van de vulblokken.

Het volkje kan eventueel als reservevolkje gebruikt worden.

Als deze volkjes goed gemaakt werden, zijn er geen problemen met de warmte huishouding.

Een voedertas kan zorgen voor de drachtloze en koude periodes te overbruggen.

Men maakt gebruik van de eigen kastramen, dit biedt voordelen bij het opruimen van de bevruchtingskastjes. De broedramen kunnen terug gegeven worden aan de produktievolken.

    

Nadelen van grote bevruchtingskasten.

Het bevolken van de kasten vraagt veel meer bijen.

Het duurt langer voor de moer bevrucht is.

Meestal begint de moer pas te leggen  als alle  broed uitgelopen is.


5 BIJZONDERE WERKZAAMHEDEN.

5.1.Overlarven.

 5.1.1. Algemeenheden.

Onder overlarven verstaat men, een larf overbrengen naar een andere cel. In principe kan iedere larf overgeplant worden.

Deze techniek is vooral tot stand gekomen om van geselekteerd materiaal verder te telen.

5.1.2. Hoe kunnen we larven van één dag oud bekomen?

We kunnen de koningin vier (vijf)  dagen voor de overlarf-dag opsluiten op een Nicot of Jenter-raam van het teeltvolk.

We kunnen ook vier (vijf) voor de overlarf-dag een mooi uitgewerkt raam, dat we besprenkelen met een weinig water of honing-water. De bijen gaan dit onmiddellijk proper maken en de koningin zal het dan beleggen.

    

5.1.3. Werkwijze.

Men zorgt er voor dat het teeltvolk een teeltraam levert, waar zich zo jong mogelijke larven in bevinden

 Oudere larven komen niet in aanmerking, omdat deze in hun prille leven te veel koninginnepap hebben moeten missen en daardoor minderwaardige moeren leveren.

We bevochtigen de cellen waarin wordt overgelarfd. (koninginnenpap vermengt met water.)

Men kan ook droog overlarven.

Nu worden de larven met een entnaald van het teelt­raam in de cellen overgeplant. Larven scheppen langs de rug­zijde en op de zelfde zijde in de cel leggen.

OPGEPAST: de larven mogen niet gekwetst worden.

    

5.1.4. Benodigdheden.

Goede ogen.

Vaste hand.

Entnaald, penseeltje of houten stokje.

Cellen.

Staander om teeltraam in te bevestigen.

Druppenteller of houtenstokje om de cellen te bevochtigen.

    

     5.2. De broedstoof.

        

       5.2.1. Algemeenheden:

    

          ‑ Een broedstoof is niet noodzakelijk maar ze kan goede diensten bewijzen.

          ‑ Verschillende modellen zijn in de bijenliteratuur beschreven.

          ‑ De kenmerken van een goede broedstoof zijn:

               * een heel nauwkeurige termostaat, om overver­hitting van de cellen te voorkomen. ( 34°  C)

               * een goed geïsoleerde kast, om zo weinig moge­lijke warmteverliezen te hebben.

               * een constante vochtigheid. ( 75 % )                                              

    

       5.2.2. Gebruik.

‑ Wanneer de cellen gesloten zijn kunnen deze ver­wijderd worden  uit het pleegvolk en

  overgebracht worden naar de broedstoof.

-Enkele dagen vooraf wordt de broedstoof reeds opgezet zodat bij het inbrengen van de doppen

  er  reeds een constante temperatuur van 34°  C heerst.

                ‑ Voor de verdere ontwikkeling van de moeren is vanaf de negende  dag nog alleen warmte nodig.

- Opgepast bij het openen van de broedstoof voor oploop  temperaturen.(oververhit­ting)

                - Daarom is het ook best koudlicht in de broedstoof te gebruiken.

                - Enkele dagen voor de geboorte de moeren inkooien en elke ingekooide moer voorzien van een

  weinig deeg en enkele jonge bijen.

    

       5.2.3. Voordelen.

          ‑ Na het sluiten van de cellen kan ons pleegvolk terug in zijn  normale doen gebracht worden,

                hierdoor worden zeven dagen storing in gewonnen.

    

       5.2.4. Nadelen.  

          ‑ De uitlopende moeren hebben weinig of geen contact met werksterbijen en worden niet altijd

                bijgestaan door werksters  bij de geboorte. ( openen cel, voedsel bij de geboorte.)

      5.3. TRANSPORT VAN TEELTMATERIAAL.

       5.3.1. Algemeenheden.

         ‑ Zowel eitjes, larven, moerdoppen en moeren kunnen  vervoerd worden. Voor de verschillende

            stadia zijn er specifieke maatregelen in acht te nemen.

    

       5.3.2. Waarop letten bij het transport?

          ‑ Eitjes:

                Dit vraagt de minste zorg. Het stukje wasraat met eitjes  in kan gewoon in een zakje meegenomen

                worden.

               Temperatuur en vocht zijn hier niet belang­rijk.

    

           ‑ Larven:

                Deze moeten goed van warmte en vocht voorzien zijn.

                Een doosje uit isolatiemateriaal (piepschuim) met een  beetje warm water op een vloeipapier

 kan hier goede diensten bewijzen.(keukenrolpapier)

                LARVEN MOGEN NIET AFKOELEN MAAR VOORAL NIET UITDROGEN.

   

           ‑Moerdoppen:

 Deze hebben alleen warmte nodig. Zij worden best na de  tiende dag vervoerd, best in dezelfde stand als ze zich in de kast bevinden. en zonder schokken. 

                Zij mogen zeker niet omgedraaid worden

    

           ‑ Moeren:

                Deze kunnen in een arrestkooitje gebracht worden met een beetje voederdeeg.

Onze eigen lichaamstempe­ratuur houdt de moeren voldoende warm.

                Breng moeren nooit in een ruimte waar insekti­cidestrips hangen.

    

    

     5.4. VOEDERDEEG:

       5.4.1.Wat?

           Voederdeeg is een vast voedsel dat overwegend bestaat uit  bloemsuiker en honing of water alles

          goed mengen. Mag niet te zacht zijn. Komt in de kast op een temperatuur van 32°C.    

       5.4.2. Nut.

   Om   bevruchtingskastjes  van  voedsel  te  voor­zien.  Vloeibaar voedsel  geeft snel aanleiding tot roverij

   van de kleine volkjes.

    

       5.4.3. Samenstelling.

Er zijn zoveel soorten degen dat men moeilijk cijfers kan geven. Waar men wel zorg voor moet dragen is, dat onze voederdeeg eens in de kast niet te vloeibaar wordt, zodat hij tussen de ramen zakt. Daarom gebruiken we best schaaltjes.

                Stuifmeel uit versleten raat kan goed gebruikt worden om in deeg te verwerken.

    

    

 5.5.Het merken van de koninginnen.

 5.5.1. Algemeenheden.

        In een rationeel geleide bijenstand is het van belang de koningin steeds te kunnen identificeren,

       zonder dat men hoeft te twijfelen  of een bepaalde kolonie ongemerkt gezwermd heeft of de koningin

        door stille moerwisseling vervangen werd.

        Ook moet men de koningin in een minimum van tijd kunnen opsporen.    

        Daarom zal men steeds de koningin MERKEN wanneer ze uit  de bevruchtingskastjes genomen wordt.

    

      5.5.2. Systemen om de koningin te merken.      

        ‑ Genummerde gekleurde ronde schildjes in plastiek.                

        ‑ Gekleurde schildjes in plastiek.

        ‑ Met verf.

    

      5.5.3. Hoe gaan we hierbij te werk ?      

Na het opsporen van de moer wordt ze ofwel op het raam vast gezet ofwel afgevangen en in een merkkooitje gebracht.

Vervolgens wordt de moer zodanig vastgezet dat haar borststuk  mooi past in een vierkantje van het draadrooster van het  merktoestel.(Stempel voorzichtig naar boven bewegen.)

Hierna wordt het schildje er op gekleefd of de verf aangebracht. (Eerst kleefstof en dan het plaatje)

    

                Na enige tijd wordt de moer terug op het volk ge­plaatst of in een nieuw volk ingebracht.

Opgepast: de moer heeft de geur van de lijm wat soms problemen meebrengt bij het terug invoeren van de moer in het oorspronkelijke volk. Daarom best altijd een  invoerkooitje gebruiken of de moer met water besprenkelen.

    

        De gekochte lijm is meestal na één  jaar niet meer bruikbaar.

        Dus koop regelmatig nieuwe lijm.

    

      5.5.4. Kleurcode.

        De jaren die eindigen op een    1  en  6 wit

        De jaren die eindigen op een    2  en  7 geel

        de jaren die eindigen op een    3  en  8 rood

        de jaren die eindigen op een    4  en  9 groen

        de jaren die eindigen op een    5  en  0 blauw                                                                       

 

      5.6. Het opzoeken van moeren.

Over het algemeen moet men de moer niet opzoeken maar in de praktijk blijkt het af en toe onoverkomelijk.  Tegen deze karwei zien heel wat imkers tegenop.

    

Het opzoeken van de moer is over het algemeen toch niet zo moeilijk, als men maar met  een paar zaken rekening houdt.

          ‑ Gemerkte moeren zijn over het algemeen snel te vinden.

          ‑ Raam vaste bijen maken het zoeken ook een stuk eenvoudiger.

          * Werk rustig en met overleg.

          * Gebruik geen rook maar eventueel waternevel.

          * Scheidt de verschillende kas onderdelen van el­kaar.

          * Begin met het systematisch onderzoek van de broed­kamer.

 Men begint links of rechts. Na onderzoek worden de kantramen opzij gezet. Daarna komen de andere ramen aan de beurt.

            Heb je in de broedkamer geen succes, dan komt het hoogsel aan  de beurt.

    

    

        Waar kan men verwachten de moer te vinden?                                                    

Wanneer de kast geopend is laat men de bijen even tot rust komen. Waar hierna de meeste bijen zitten is de kans groot  dat daar ergens de moer zich bevindt.                                        

Meestal bevindt de moer zich in de omgeving waar er pas gelegde  eitjes te vinden zijn. Dus bij het jongste broed in de kast.

                Is het volk in zwermstemming, dan kan de moer overal in de kast zitten.

         ‑ In normale omstandigheden zit de moer niet op ramen met voedsel.

    

        Voor het afvangen van de moer zijn er in de handel handige toestelletjes te koop.

    

    

    

     5.7. Het maken van aantekeningen tijdens de moerteelt.

Met het oog op de rasverbetering op de eigenstand zal men van elke koningin een aantal aantekeningen bijhouden.    

           ‑ Herkomst van de teeltstof. (stamboom)

           ‑ Gebruikte teeltmethode.  + overlarven

                                                                + jenter

                                                               + boogsnede

                                                                + enz.

           ‑ Geboorte datum van de moer.

           ‑ Wijze waarop de moer bevrucht werd.

   + Kirchheimer

                                                 + Apidea

                                                 + Drie raams­kast

                                                 + Kunstmatig

                                                 + enz

           ‑ Wijze waarop de moer werd ingevoerd in het pro­duktievolk.

           ‑ Nummer en kleur van het merkteken.                                                                        

    

     5.8. Het invoeren van koninginnen in productievolken.

     ‑ Alvorens de moer in te brengen moet het volk hope­loos moerloos  zijn. ( zie vroeger. )

    

    

         Hoe te werk gaan ?

         Bij het invoeren wordt de bevruchte moer in een invoerkooitje  gebracht. (soorten zie bijenliteratuur.)

         Het gesloten invoerkooitje wordt tussen de ramen gehangen of vastgemaakt aan de toplat van een

         opgebouwd raam waaruit een  stuk is weggesneden.

 24 uur nadat de moer zo is ingevoerd gaat men contro­leren of de moer aanvaard is. Als de moer aanvaard is klampen een aantal bijen zich aan het kooitje vast. Licht men de moer uit de kast  dan reageren de bijen daarop door te gaan stertsellen.

    

Nu pas kan men de vaste afsluitin­gen vervangen door een honingdeeg zodat de bijen de koningin kunnen bevrij­den.

Tien dagen later kan men nagaan of de moer werkelijk aanvaard is en er broed in alle stadia aanwezig is.

 Men kan de moer ook rechtstreeks met een honingdeeg invoeren maar de kans op succes is dan geringer

  In de bijenliteratuur kan men vast nog wel een tiental andere systemen vinden.

LET OP: Het invoeren is pas geslaagd als de ingevoerde moer omringd is door eigen bijen.

                In vele gevallen wordt de moer tijdelijk aangenomen en zet men op het eerste broed van de nieuwe moer doppen en probeert men ze zo te vervangen. Dus het volk elke week nazien (4 weken) en alle doppen verwijderen.

 

Moerteelt met aangezogen moercellen

 

Agenda

dec
14

14.12.2019 - 11:00 - 11:30

Nieuws

 Alle info over het Jubileumcongres vind je hier ....

 Onmiddellijk inschrijven kan ook

 Wil je gebruik maken van ons slingerlokaal, dat kan, maar hou dan even rekening met de huisregels...


Inschrijving jaarfeest 2019
(https://form.jotformeu.com/72606187840359)

ILid worden - inschrijving 2020
(https://form.jotformeu.com/82686890147369)

ITelling aantal bijenvolken in België
(https://form.jotformeu.com/72606141440345)

Vergaderzaal

FDe Brug

Waesdonckstraat 1

2640 Mortsel

Leslokaal en bijenpark

Fort V-straat 
2650 Edegem

Voorzitter

Johan Boeykens
Van Dijckstraat 23
2640 Mortsel

Kaart

Ga naar boven